Leesfragment uit Jan van Mersbergens spannende, korte verhaal
Een heerlijkheid is een streek waarbinnen een door de grootgrondbezitter aangestelde heer gezag uitoefent over de bewoners. De heer mocht allerlei rechten uitgeven, vaak om inkomsten te genereren. Bijvoorbeeld het recht om accijns te heffen, het recht om een molen te bouwen en beheren, het recht om pacht te innen voor het gebruik van landbouwgrond. Er waren tientallen soorten rechten. Het recht van aanwas betekende het recht om aangeslibde grond door inpoldering tot eigendom te maken, zodat er land gewonnen wordt. Ook staat aanwas voor nakomelingen.
1
Op een vroege zomerochtend hield net voorbij het bord BLAUWALG een klein geel campertje halt. De wagen had vanaf de snelweg de Zomerdijk genomen en daarna het weggetje dat de Uitval heette en dat een grote lus maakte en langs een oude zandafgraving kwam waar vroeger veel gezwommen werd. Tegenwoordig kwam hier zelden verkeer, op een paar landbouwmachines na. Het water van de zandafgraving was al jaren te warm en stroomde niet goed door, en de blauwalg hield de zwemjeugd weg.
Het was een busje met ronde koplampen en ronde achterlichten, echt een retro busje, inclusief gordijntjes. Achter het stuur zat een vrouw met grijze krullen die aan de uiteinden bruin waren, een knap gezicht, in een opvallend grote trui. Ze keek even naar het water dat vlak en kalm achter het grasveld lag.
Ze kende deze plek van heel lang geleden. Toen werd er hier gesurft, lagen er meisjes in bikini’s op handdoeken samen met jongens in grote boxershorts, werden er vuurtjes gestookt en klonk er muziek op het andere grasveldje, dat nu overwoekerd was door onkruid.
Ze hoorde weer de geluiden van toen, de schreeuwende kinderen in het water, een meeuw in de lucht, de muziek van toen – ze kende alle liedjes nog. Ze was niet alleen. Ze was hier destijds mee naartoe genomen door haar grote liefde, een knappe man die voor altijd bij haar zou blijven, had hij beloofd.
Ze stapte uit de camper, sloot het portier en liep naar het water. Ze dacht aan hoe ze toen het water in liep, alle ogen van de mensen hier op haar gericht, want ze was een opvallende verschijning: lang, slank, knap. Inmiddels was ze nog steeds lang en slank en knap, maar op haar leeftijd betekende dat: een getekend en gerimpeld gezicht, een iets te mager lijf; de zichtbare tekenen van het ouder worden. Niet minder opvallend, wel vooral grijs.
Een meerkoet kwam aangezwommen, driftig piepend, en meteen had ze zin om ook een duik te nemen. Ze bedwong zich, dit water was echt niet goed voor lijf en leden. Ze was niet gek. Wel zou ze hier blijven, dat had ze zich voorgenomen. Een paar dagen. Ze zou wat hout verzamelen en een vuurtje maken. Ze had brood bij zich en wat water. Sultana’s met rozijnen.
Terug bij de camper schoof ze de deur aan de zijkant open en stapte in het busje. Het was er krap, maar alles wat ze nodig had zat erin: een kookplaatje, een matras met slaapzak, een plekje om te zitten als het regende. De camper had zelfs een dakraam en een luifel.
Een badkamer had de camper niet. Ze kon overal naar de wc, ook in de natuur, en ze had voldoende water om zich te wassen, al sloeg ze ook weleens een dagje over. Aan het langwerpige keukendeurtje hing een spiegel. Ze bekeek zichzelf. Eerst haar smalle schouders, de opvallende sleutelbenen. Smalle hals. Haar gezicht nog steeds knap, met die moedervlek op de perfecte plek en de mooie wenkbrauwen. Haar krullen waren lang niet geverfd; bruin was vroeger haar eigen kleur.
Ze draaide een schouder naar de spiegel, draaide haar hoofd mee.
Als dit lukt, zei ze zachtjes tegen zichzelf, dan verf ik mijn haar weer terug naar het warme bruin van vroeger.
Toen las ze de woorden die ze in spiegelbeeld op haar rechterslaap had laten tatoeëren, in kleine letters, van oog naar oor: ovum meum tergum.
Die tattoo had haar iedere dag herinnerd aan wat ze wilde doen. Daarom had ze de camper aangeschaft, opgeknapt en opnieuw ingericht. Daarom was ze hierheen gereden.
Daarom was ze hier.
2
Op het terras in de beschutting van zijn huis zette Erik Rappel een fles koude witte wijn en twee glazen op tafel. Georgie zat in een van de tuinstoelen en schoof de stoel waar Rappel zojuist op gezeten had een stukje dichterbij, een gebaar van: kom bij me zitten.
Dat deed de oud-politieman. Hij legde een hand op haar arm en keek naar de zon die in het westen onderging en lange schaduwen op de eindeloze weilanden wierp. Dit was zijn tweede zomer in de Zwarte Heerlijkheid, na zijn terugkeer vanuit Amsterdam. De vorige zomer was net zo warm geweest, dat had hij vooral gemerkt bij het opknappen van zijn ouderlijk huis voordat hij erin trok. Wat had hij gezweet. Deze zomer was anders, deze zomer was warm maar relaxed.
Het water waar hij bijna iedere dag in viste begrensde de achterste strook van zijn land, en iedere keer als Rappel hier zat en dat opmerkte dacht hij: ik moet een terras aan het water bouwen. Dat dacht hij nu ook, en tegen Georgie zei hij: Geen zorgen, ik ga geen terras bouwen.
Wat? Waar heb je het over?
Sorry, zei hij. Altijd als ik hier zit denk ik dat er iets gebouwd moet worden, iets verbeterd, of aangepast. Nu ook. Een terras aan het water, daar dacht ik aan. En iedere keer moet ik mezelf voornemen dat dan juist niet te doen.
Georgie keek hem even aan. Jammer, zei ze.
Wat is jammer?
Ik hou wel van een terras aan het water.
Iedereen houdt van een terras aan het water, zei hij, maar dat is het niet. Als ik een terras aan het water maak daar verderop, en ik ga zitten, dan denk ik dat ik weer iets anders moet bouwen. Een ander paadje om de schuur heen, een moestuin met eigen boontjes en aardappelen, een bruggetje naar de weilanden, een boomhut.
Dat klinkt ook allemaal heel goed, zei ze op serieuze toon.
Zit je nou te klieren?
Nee hoor lieverd. Ik zit hier goed.
Mooi, want ik zit hier ook goed, zei Rappel. Toen ik hier weer kwam wonen had ik me voorgenomen het huis in orde te maken, het pad bij te houden zodat ik van de weg bij het huis kan komen, en iedere dag te vissen en dat is het. Mijn ouders deden het anders, die werkten iedere dag, en als ze een dagje niks te doen hadden, verzonnen ze wel drie dingen om te doen. Iedere dag werk leverde weer drie nieuwe dagen werk op.
Dat doen ze op Curaçao wel anders, zei Georgie, die graag over het eiland sprak waar zij geboren was, en opgegroeid. Daar gaan ze ’s ochtends aan het strand zitten en als de zon ondergaat zitten ze nog steeds aan dat strand, op dezelfde plek, in dezelfde stoel. Niks gedaan.
Dat lijkt me heerlijk, zei Rappel. Dat wilde ik hier dus ook doen: zo min mogelijk. En toch voel ik iedere dag de onrust om te bouwen en te rennen en te razen. Dat zit in de familie, denk ik.
Dat is een hele kunst.
Inderdaad.
Nou ik het zeg: kunst.
Wat kunst?
Georgie haalde haar telefoon uit haar tas, die aan de armleuning hing. Ze opende de galerij en liet Rappel een foto zien. Kreeg ik via Facebook, zei ze. Een evenement.
Hij bekeek de afbeelding. Een uitnodiging voor een expositie in het fort aan de Zevenbanne. Vernissage, stond er geschreven. Rappel zei: Chic hoor.
Ik denk dat het interessant kan zijn, zei Georgie.
Hij zei: Dat bedoel ik niet. Het lijkt me echt interessant, maar die plek bij dat fort aan de snelweg ken ik goed. Ik heb er mooie herinneringen aan.
Oké, maar dat kan toch samengaan? Je kunt toch iets aan een herinnering toevoegen?
Ik weet het, maar dat wil ik helemaal niet. Die heb ik al, op die plek. Die herinneringen gaan over de lente en de zomer, over jonge meerkoetjes en reigers, over snoeken in het water om het fort heen. Ik bouwde daar een vlot van pallets en een paar grote tonnen, met een schoolvriend die een paar jaar later verongelukte. Ik zie hem nog staan op dat gammele vlot, de schoenen en sokken doorweekt, en toch een geweldig blij gezicht. Dat was mijn zomer, lang geleden. Dat fort is mijn jeugd, en deze expositie wil van alles, maar voor mij voelt het alleen als het verdringen van mijn jeugd bij dat fort. Het veranderen van mijn herinneringen.
Oké, zei Georgie.
Heb ik je nou teleurgesteld?
Nee, ik snap het. Jij bent hier naartoe teruggekomen om jouw beeld van toen terug te vinden. Geen nieuwe beelden aan oude muren.
Zoiets ja.
En misschien ben je daarom ook wel uit Amsterdam weggegaan?
Hoe bedoel je?
Om wat je daar had juist achter je te laten.
Mijn dochter woont daar nog.
Dat weet ik, zei Georgie, en een dochter laat je nooit achter. Renske blijft je dochter.
Je bedoelt mijn ex?
Georgie, die wist dat Rappel niet graag over zijn ex sprak, zei: Het leven daar, bedoel ik. Gewoon alles, de huizen, de sfeer, de trams, je dochter, die eerste tijd met een baby op die zolder waar je weleens over vertelde. Dat zijn ook beelden. Die gaan niet weg.
Rappel dacht na. Hij en zijn ex gingen uit elkaar toen hun dochter vier was, na een lange relatie die dubbel zo lang voelde vanwege de chaos waar Rappel in verzeild dreigde te raken, een chaos die zij veroorzaakte. Het waren tropenjaren. Nu moet iedereen met kleine kinderen aan de bak, ontegenzeggelijk, maar als je ook nog moet vechten tegen de onvoorspelbaarheid van je partner, die voor een klein kind zeker niet goed is, dan zijn het dubbele tropenjaren.
Hij zei: Het was in ieder geval een tijd waar ik niet naar terug wil.
En hier naar de polder wel.
Inderdaad. Hier ben ik vrij van dat verleden, al mis ik Renske wel.
Maar een paar foto’s kunnen je verleden vervormen. Ben je bang?
Misschien, zei Rappel.
Georgie was even stil. Nou, zei ze. Ik zou dat ook hebben als er een expositie gehouden werd bij het strandtentje waar ik opgroeide op Curaçao. Dat beeld wil ik ook niet veranderd zien.
Er verandert al genoeg, en kunst kan echt wel iets brengen, ook bij ons in de polder. Maar de beelden die ik in mijn hoofd heb van toen, die moeten blijven. Ik ben bang dat die verdreven worden door allerlei kunst over de lente.
Ik vind het interessant, zei Georgie, ik ga zaterdag wel even kijken.
Wat jij wilt, zei Rappel. Ik wacht hier op je.
Goed.
Ik heb ooit hier kunst gemaakt, zei Rappel.
Hier?
Ja, net aan de andere kant van het huis. Ik had een erg lange wilgentak gevonden en daar had ik de bast afgehaald. Dan hou je een mooie witte tak over, zeker zes meter lang, en behoorlijk dik. Die tak heb ik aan een touw opgehangen aan een van die grote bomen. Het was of er een enorme mammoettand in de lucht zweefde.
Mooi.
Nou, zei Rappel. Mijn vader dacht er anders over.
Wat vond die ervan?
Dat weet ik nog steeds niet. Ik weet alleen dat de tak diezelfde dag weer weg was, zonder dat hij er iets over had gezegd.
Jammer, zei Georgie. Ik hou wel van dat soort dingen. Ik zal me aanmelden op Facebook. Maar geen expositie voor jou?
Dit keer sla ik even over.
3
Hij was de enige veearts die nog actief was in de Zwarte Heerlijkheid. Vroeger, toen Marco Stalenhoef net begon, was er in ieder dorp een dierenarts, want melkveehouderijen waren er volop, en ook geiten, schapen en kippen hadden verzorging nodig. In de jaren negentig verdween er al een aantal praktijken. Ook de kleine praktijk in Wielkerk, waar de jonge Stalenhoef vanaf dat hij zijn diploma gehaald had verder opgeleid werd, moest sluiten. Het duurde een tijdje voor hij een eigen praktijk begon, tegen beter weten in, want het advies was: stop ermee of ga naar Canada.
Nu was veearts Stalenhoef op weg naar een veehouder net buiten de Hill, een dorpje vijf kilometer ten zuiden van Wielkerk, aan een weg die iedereen in de Zwarte Heerlijkheid geblinddoekt zou herkennen als ze eroverheen gereden werden, vanwege de betonplaten. De boer heette Mulder. Hij had de veearts deze vrijdagochtend gebeld omdat zijn stier moeilijk liep. Hij had vijftig hectare grasland achter zijn boerderij liggen, allemaal aan dezelfde kant van de weg. De stukken land liepen helemaal tot de griend van de Hill, had de boer aan de telefoon verteld, een plek die Stalenhoef goed kende, daar jaagde hij soms met Lammie.
Heel vroeger was hij iedere doordeweekse dag samen met Lammie naar de middelbare school aan de Brabantse kant gefietst, maar het groepje waar Lammie bijna dagelijks mee optrok, waar Erik Rappel ook bij hoorde, lag hem minder.
Een dierenarts die met een hagelbuks het veld in gaat, dat is precies de wereld van de Zwarte Heerlijkheid: de wildstand van de vrije dieren op orde houden en tegelijk vee en huisdieren die medische hulp nodig hebben verzorgen. In deze streek had een dierenarts meerdere petten op.
De boer had drie grote stallen achter zijn huis, zag Stalenhoef toen hij bij het huis kwam, een statig herenhuis aan de provinciale weg die langs de Hill liep. De man stond hem al bij het hek op te wachten. Stalenhoef was er nooit eerder geweest, een biologische boerderij, waar er meer van waren sinds de omwenteling van een twintigtal jaren terug. Schaalvergroting en ruilverkaveling waren in de Zwarte Heerlijkheid vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw bepalend geweest, in deze eeuw kozen veel overgebleven boeren voor biologisch – daar was de markt nu eenmaal naar. In de steden wilden de mensen verantwoorde melk, dus leverde dat voor de coöperaties en de boeren meer op. Het was een kwestie van vraag en aanbod.
In Mulder herkende hij meteen een echte melkveehouder. De boer droeg ondanks het zomerse weer een blauwe overall met een dikke trui en zijn voeten waren gestoken in stevige groene laarzen. De dagelijkse outfit van een echte melkveehouder, met daarbij een onmiskenbaar bleke huid die enigszins roodgekleurd was. Een man die veel buiten was en weinig zonnebrand smeerde.
Stalenhoef stapte uit zijn auto, stelde zich voor en schudde de man de hand. Hallo, zei de geitenboer, ik ben Mulder. Ik hoop dat u me kunt helpen.
Ik pak even mijn tas, zei Stalenhoef, en hij opende de achterklep, tilde er een zware tas uit waar al zijn spullen in zaten. Hij hing de tas aan de riem over zijn schouder en volgde Mulder, die al langs het huis en daarna langs de schuur liep.
Er is iets met een van uw runderen, begreep ik. Wanneer merkte u dat?
Opeens liep een van hen moeilijk, zei Mulder. Gelukkig kon u meteen komen.
Ik ga het bekijken, zei Stalenhoef.
Ze kwamen bij de eerste wei, die omgeven was door een enkele staaldraad – geen schrikdraad. Dat vond Stalenhoef altijd het voordeel van koeien; ze blijven in de wei. Geiten springen over hekken, schapen raken in de sloot, kippen vliegen weg en moeten beschermd worden tegen vossen en bunzings. Koeien blijven gewoon op hun plek staan.
Stalenhoef hield vooral van schapen, dat waren eenvoudige, kalme, trouwe beesten, die bovendien melk en wol gaven. Koeien waren groot en produceerden veel mest, maar daar zei hij bij deze man op het erf niks over.
Wat mankeert eraan? vroeg hij.
Mulder wees meteen naar een grote stier die aan de rand van het weiland stond, met zijn kop aan het gras. De stier, zei hij.
Stalenhoef zag dat de stier in een verkrampte houding stond, roerloos, alsof het dier bevroren was. Heeft-ie al lang last? vroeg hij.
Mulder knikte. Een dag of drie. Het is zo erg dat hij liefst stil blijft staan.
Misschien iets met zijn hoeven, zei Stalenhoef.
Mulder zweeg. Ze stapten over de draad en benaderden de stier. Stalenhoef liet Mulder voorgaan, de boer kende zijn dieren het beste.
Mulder zei: Het is een rustige stier, doorgaans.
Oké, zei hij. Staan ze altijd in het gras? Of lopen ze ook op verharde stukken?
Nooit, zei de boer. We zijn overgegaan op biologisch, dus ze komen wel in de stal, maar minimaal. Alles buiten, alles natuurlijk.
De stier had hen opgemerkt, maar bewoog niet. Hij tilde alleen zijn kop iets op, de nek nog steeds in een vreemde houding naar beneden wijzend, als in een kramp.
Dat is meestal geen goed teken, zei Stalenhoef. Die houding.
Mulder kwam als eerste bij de stier en legde geruststellend een hand op het dier, dat groot was en een brede kop had. Rustig maar, zei hij.
Voorzichtig kwam de dierenarts naast hem staan en streek nu ook over de rug van de stier, keek hoe het dier reageerde. De gebruikelijke siddering in de spieren net onder de huid, maar de stier bleef met alle vier de poten in het gras staan. Dat was vreemd. Meestal deden ze wel een pasje, waren ze beweeglijk.
Stalenhoef liep langs de flank van de stier, bekeek de achterpoten en toen zag hij het. Bij de staart. Er zat bloed aan zijn kont. Hij legde een hand op de staart en de stier maakte een laag brommend geluid. Rustig maar, zei de veearts nu ook.
Dit is niet goed, zei hij.
Wat?
Bloed bij zijn kont. Zijn anus. Hij is toegetakeld.
Hoe bedoel je?
Stalenhoef probeerde de staart van de stier, die het beest angstvallig tegen zijn kont en benen gedrukt hield, iets op te tillen, maar de stier rilde weer heftig; er ging een schok door zijn lijf en hij schopte met zijn achterste poot. Mulder moest tegen de stier aan gaan staan om hem te kalmeren. De veearts hield de staart ondertussen voorzichtig iets opzij en zag nu duidelijker wat hij al dacht.
Hij is, hoe zeg je dat, gepenetreerd.
Wat?
Maar de boer had het gehoord en ook begrepen. Hij kon zich alleen geen voorstelling maken van wat er gebeurd was.
Stalenhoef knikte en wist dat hij meteen uitleg moest geven. Met een hard lang voorwerp, zei hij. Een heiningpaal of zoiets. Hij is echt toegetakeld. Meerdere malen, vandaar die wonden. Bloed, dat al opgedroogd is.
Kolere, zei de boer. Dat had ik nog niet gezien. Zo dichtbij was ik nog niet geweest.
En de andere dieren?
De koeien, zei Mulder. Daar is niks aan te zien.
Alleen de stier?
Ik denk het, zei Mulder. Ik zag hem vanaf de draad zo moeilijk lopen, aan de anderen zag ik niks.
Mulder vertelde dat er tachtig koeien liepen, en die ene stier. Vooralsnog moest Stalenhoef zich richten op het behandelen van de stier. Dat wilde hij het liefst in de beschutting van de stal doen, waar ze de stier vast konden maken, wellicht verdoven.
Laten we hem meenemen naar de stal, zei hij. Ik heb pijnstillers en zal de wonden schoonmaken. Denk je dat-ie mee wil?
We gaan het zien, zei Mulder en hij nam de stier bij de riem die om de kop zat, legde een hand achter zijn oor en zei: Kom, kom.
De stier deed een moeizame stap.
Kom maar.
De stem van de veehouder was zacht, alsof hij begreep dat de stier bij iedere pas meer pijn had, en dat was het laatste wat hij wilde.
Heel langzaam leidde Mulder de stier naar de stal. Toen het grote logge dier door de openstaande schuifdeur stapte en het licht dat op het dier viel veranderde, viel Stalenhoef iets op aan de halsband. Die was van dik leer en er zaten stalen punten in en het uiteinde was afgewerkt met een metalen randje, maar naast die glimmende stukjes metaal was nu, in de schaduw, iets anders zichtbaar: een soort zwarte sleutelhanger die was bevestigd aan de musketonhaak van de riem. Tegen de donkere vacht van de stier was het ding buiten amper zichtbaar geweest.
Is dat een label? vroeg hij.
Mulder keek ook naar de nek van het beest. Ze wisten allebei dat het vee niet de gebruikelijke gele oorlabels meer droeg, tegenwoordig ging dat met chips. Maar dit was echt iets anders.
Nooit gezien, zei Mulder.
De boer nam het goedkope hangertje in zijn hand. Het was zwart en gaf aan één kant een doorkijkje op een stukje karton waar je iets op kon schrijven. Er stond echter geen tekst op, alleen een QR-code.
Benieuwd naar de afloop? De rest van het verhaal lees je tijdens de Thriller Weken in het gratis e-book, download 'm voor 31 mei!
