Leesfragment uit 'Het bos van roest'
Herfst 1973
De twee dagloners hadden de tractor tussen een paar sparren gezet. De motor laten draaien, zodat ze de koplampen aan konden laten in het compacte donker.
De mannen mompelden in zichzelf. Ze vervloekten de regen en de wind, de weerbarstige turf onder hun spades. Maar bovenal vervloekten ze Sigurd Offerlund, die hen naar buiten had gejaagd terwijl ze op dit uur eigenlijk aan de eettafel in de warme barak bij de boerderij hadden moeten zitten.
Maar geen van beiden durfde hardop te klagen. Zelfs niet tegen elkaar.
Sigurd Offerlund was een harde man, een gewelddadige man, en één onbezonnen woord was genoeg om zijn woede te ontketenen. En ontslagen worden was lang niet het ergste wat je hier in de wildernis kon overkomen.
Wie zich daar waagt, moet waakzaam zijn, zoals het oude rijmpje begon.
Er deden stille verhalen de ronde op de boerderij. Over mensen die ruzie hadden gekregen met Sigurd en spoorloos waren verdwenen.
Daarom voerden ze zijn bevelen zwijgend uit. Ze zwoegden met hun spades en steekijzers in de veengreppel, ook al was het turfseizoen eigenlijk voorbij.
In deze tijd van het jaar werkten ze normaal gesproken in de enorme schuur, waar het weliswaar donker en vochtig was, maar die in ieder geval beschutting bood tegen het gure weer. Helaas was eerder op de dag de oude turfversnipperaar weer kapotgegaan. Dat gebeurde tegenwoordig steeds vaker. Alsof de machine duidelijk wilde maken dat het tijdperk van turf voorbij was.
Maar Sigurd was niet het type dat zich door zulke waarschuwingen liet afschrikken. Hij ontstak in woede, beschuldigde de dagloners ervan de machine opzettelijk te hebben gesaboteerd zodat ze niet hoefden te werken. Hij dwong hen met houw en slag de kou in, naar de veengreppel. Niet omdat hij dat moest, maar omdat hij dat kon.
Want niemand durfde zich tegen Sigurd Offerlund te verzetten. De spade van een van de dagloners stootte tegen iets hards. Stenen waren zeldzaam in de moerasgrond, dus haalde hij een zaklamp uit de zak van zijn regenjas om het beter te kunnen bekijken.
Er lag iets op de bodem van de greppel, half verscholen onder een stuk turf. Ronde vormen die niet thuishoorden in het moeras. Met vereende krachten hakten de mannen het stuk turf in tweeën en tilden ze het opzij, voordat ze de zaklamp weer aanknipten.
Het licht onthulde de omtrekken van een gezicht.
De aanblik deed de mannen achteruitdeinzen. Ze lieten hun spade vallen en klauterden snel uit de greppel. Ze keken elkaar verschrikt aan terwijl de regen over hun bleke gezichten stroomde. Ze hadden iets uit het bos opgegraven, zoveel was duidelijk.
Maar het was niet een van Sigurds duistere geheimen. Dit was iets anders, iets oerouds, waarvan ze de rust niet hadden mogen verstoren. Hoewel hij niet religieus was, sloeg een van de mannen een kruis.
‘Zullen we de greppel weer dichtgooien?’ vroeg hij. ‘Laten we daar verderop doorgaan.’
Hij wees in het donker.
De andere man knikte en wilde net naar de spade reiken, toen een stem boven het geluid van de wind uit klonk.
‘Wat staan jullie daar te lanterfanten, stelletje nietsnutten?’ Het was Sigurd Offerlund met zijn zonen Ragnar en Arvid, in lange regenjassen en met zaklampen in hun handen.
Hun gezichten stonden hard en onvriendelijk. Hun blikken waren vol verwijt.
Een van de dagloners wees naar de greppel. ‘We hebben iets gevonden. Een lijk, denken we. Dat hier al lang ligt.’
‘Verdomde lang,’ voegde de ander eraan toe.
‘Dat meen je niet! Laat eens kijken!’ Ragnar, de oudste zoon, sprong soepel in de greppel. Hij was nog maar net meerderjarig, maar toch al even lang als zijn vader. Bovendien had hij Sigurds sluwheid geërfd.
Zijn laarzen kletsten op de natte turf terwijl hij de vondst nader onderzocht met behulp van zijn zaklamp. De regen vormde lange strepen in de lichtbundel.
‘Het is een vrouw,’ constateerde hij. ‘Haar huid en haar heeft ze nog. Het weinige wat ik van haar kleding kan zien lijkt oud.’
De jongste zoon, Arvid, schraapte zijn keel. Hij was meestal stiller dan zijn broer en minder vlug van begrip. Maar hoewel hij nog maar een jongen was, had hij iets onaangenaams.
‘Het zou een veenlijk kunnen zijn,’ zei hij. ‘Daar heb ik op school dia’s uit Denemarken van gezien. Het veen conserveert ze met huid en haar.’
‘Ja, ik heb er weleens over gehoord,’ zei zijn vader peinzend. ‘Zijn ze geld waard?’
Arvid haalde zijn schouders op. ‘De Denen hebben ze in elk geval in hun musea. Mensen betalen entreegeld om ze te zien.’
‘Entreegeld? Is dat zo…’ Sigurd klakte een paar keer met zijn tong alsof hij nadacht. ‘Jullie twee,’ zei hij tegen de twee dagloners. ‘Graaf haar op. Maar wees voorzichtig. Geen spades. We willen haar zo gaaf mogelijk houden.’
De mannen klommen weer in de greppel en knielden neer naast het hoofd. Dat was inderdaad van een vrouw. De huid van haar gezicht was door het veen veranderd in zwart leer, maar haar gelaatstrekken waren nog duidelijk te zien. Haar ogen waren gesloten, bijna alsof ze sliep.
‘Waar wachten jullie op?’ riep Sigurd vanaf de rand van de greppel. ‘Graaf haar op.’
De twee dagloners begonnen voorzichtig met hun handen te graven. Ze wrikten plag voor plag los om het lichaam van de vrouw bloot te leggen.
Ze was klein van stuk, gekleed in grijze kleding met een metalen speld op haar borst. Een soort symbool. Maar het was niet in de eerste plaats de speld die de aandacht van de mannen trok. ‘Zie je dat?’ Een van de mannen wees naar de hals van de vrouw, waar een diepe snee van oor tot oor liep. ‘Komt dat door de spade?’
De andere man schudde zijn hoofd. ‘Nee. Zo diep heb ik niet gegraven. Iemand heeft haar keel doorgesneden. En kijk daar eens.’
De zwarte handen van de vrouw lagen gekruist op haar borst. Aan één hand ontbrak een vinger. Tussen haar handen stak iets uit. De punt van wat een houten paal moest zijn, die dwars door haar borst was gestoken.
De mannen keken elkaar bezorgd aan. ‘Waar wachten jullie op, stelletje luiwammesen?’ snauwde Sigurd. ‘Zorg dat je haar eruit krijgt.’
Een van de dagloners verzamelde moed en wendde zich tot zijn werkgever. ‘Ze is in het moeras vastgespietst zodat ze niet weg kan komen,’ zei hij zachtjes. ‘Het lijkt me het verstandigst om haar te laten liggen.’
‘Haar laten liggen?’ zei Sigurd. ‘Ze is verdomme geld waard.’
‘Ja, maar…’ De dagloners wisselden een blik. ‘Je moet de rusteloze zielen van het bos niet storen. Dat kan gevaarlijk zijn.’
Sigurd snoof zo luid dat het boven de wind en de regen uit te horen was. ‘Jullie lijken wel twee wijven! Aan de kant!’ Hij stapte in de veengreppel, joeg de dagloners weg en hurkte naast het lichaam van de vrouw neer om de houten paal te onderzoeken. ‘Help even, jongens,’ zei hij tegen zijn zonen. ‘Ik trek aan de paal, dan tillen jullie haar op bij haar schouders. Voorzichtig, zodat ze niet kapotgaat, begrepen?’
Sigurd greep de houten paal met beide handen vast. ‘Daar gaan we. Eén, twee, drie!’
Hij trok met al zijn kracht aan de paal, terwijl zijn zonen het veenlijk optilden. Er klonk een zwak gekraak, maar de paal bewoog nauwelijks.
‘We proberen het nog een keer,’ zei Sigurd vastberaden. ‘Eén, twee, drie…’
De paal gaf nog steeds geen millimeter mee. Sigurd veegde regenwater en zweet van zijn voorhoofd. Zijn gezicht was rood en opgezwollen.
Plotseling begon het nog harder te regenen. Met de wind erbij werd het een muur van striemend water. Alsof de natuur zelf probeerde het gebeuren te verhinderen. De dagloners keken elkaar weer aan en een van hen spuugde stilletjes drie keer over zijn schouder, iets wat zijn grootmoeder hem had geleerd om ongeluk af te wenden.
‘Kom op, jongens. We hebben niet de hele nacht de tijd.’
Sigurd Offerlund deed een derde poging. De potige man zette zich schrap met zijn voeten aan weerszijden van het kleine vrouwenlichaam en trok uit alle macht aan de houten paal, terwijl zijn zonen opnieuw probeerden het bovenlichaam van het lijk op te tillen.
‘Daar komt ze…’
Plotseling kwam de paal los en Sigurd viel achterover in de greppel, zodat regenwater en modder om hem heen opspatten.
De twee dagloners deden een paar stappen naar voren om het beter te kunnen zien. Ragnar en Arvid hielden de vrouw tussen zich in. Ze hadden haar een paar graden omhoog gekanteld, zodat het leek alsof ze haar in hun armen hielden.
Het was secondelang stil terwijl iedereen naar het veenlijk staarde. Haar leerachtige gelaat was vredig, bijna mooi.
Maar er lag ook een andere uitdrukking over haar gezicht. Iets wat steeds duidelijker werd nu de regen het vuil en de modder wegspoelde.
‘Jezus,’ mompelde een van de dagloners. Op datzelfde moment zag hij Sigurd Offerlund. De grote man lag nog steeds op zijn rug in de greppel. Zijn gezicht was blauw, zijn mond stond open, zijn blik was glazig en wezenloos.
Sigurd hield zijn handen tegen zijn lichaam gedrukt, alsof hij instinctief probeerde zich te verdedigen tegen een onverwachte pijn op zijn borst. Hij hield de houten paal nog altijd in zijn handen geklemd.
‘Pa!’ brulde Ragnar terwijl hij naar Sigurd kroop. Arvid bleef zitten met het veenlijk in zijn armen, terwijl hij probeerde te begrijpen wat er gebeurd was.
Maar de twee dagloners wisten het al. Ze staarden eerst naar hun dode werkgever en vervolgens naar elkaar. En ten slotte naar het leerachtige gezicht van het lijk, dat nu glansde van de regen.
Daarna sloegen ze allebei vrijwel tegelijkertijd een kruis.
Vele jaren later, telkens wanneer ze het verhaal over de vondst van het Grijsmeisje vertelden, zouden ze bezweren dat ze glimlachte.
Het Grijsmeisje
Het Bos van Roest is oeroud. In het begin bestond het uit prachtige loofbomen en glanzende meertjes. Een lichte plek, vol leven. Maar vanuit het noorden rukten de naaldbomen op, en daarmee de schaduwen en de duisternis. Op de grond werd het veenmos steeds dichter. Het vormde laag op laag van zwaar, zompig weefsel dat de kleine meren verstikte en de eens zo lichte bossen veranderde in sombere hoogveengebieden.
Alles hier zinkt langzaam weg.
Bomen, dieren en mensen: uiteindelijk verdwijnen ze allemaal in de zachte grond om nooit meer tevoorschijn te komen.
Tenminste, dat is wat men denkt.
Maar het Bos van Roest vergeet nooit. Het wikkelt zijn geheimen in draderige lijkkleden en balsemt ze in bodemzuren terwijl het zijn tijd afwacht. En soms, als ’s nachts de ransuil zijn klaagzang laat horen en de wind uit het noorden waait, geeft het bos een glimp van zijn vochtige binnenste prijs.
Het was in zo’n nacht, lang geleden, dat ze werd teruggevonden. Bruut uit het veen getrokken door mannen met ruwe handen en grimmige gezichten.
En net als vroeger had ze de dood als metgezel.
Want bloed moet met bloed worden vergolden. Dat is de wil van het bos. Toen en nu.
Zij is het Grijsmeisje.
Duizend jaar lang heeft ze gewaakt.
Gewacht.
Hier.
In het Bos van Roest.
Lova
‘Stil!’ Filip steekt zijn hand op. ‘Hoor je dat, Lova?’
Dottie jankt zachtjes, spitst haar oren en kijkt onrustig om zich heen. Lova begrijpt de reactie van de hond wel. Het geluid dat door het bos galmt is een mengeling van jammerkreten en rochelende ademhaling.
‘Wat is dat?’ vraagt ze nerveus.
‘Een ransuil!’ zegt Filip. ‘Kijk eens of je het op kunt nemen?’
Lova start de geluidsopname op haar mobiele telefoon. Ze staan een tijdje stil terwijl de uil ergens in het halfduister blijft roepen. De meter op het scherm beweegt mee met het geluid. Dottie begint weer zachtjes te jammeren en kijkt op naar Lova.
Het is begin juni en hoewel het bijna negen uur ’s avonds is, is de zon nog niet onder. Maar tussen de bomen worden de schaduwen steeds donkerder. De weersvoorspelling waarschuwt voor onweer later op de avond, dus ze hebben hun windjacks in hun rugzakken gestopt.
Het bospad dat ze volgen is smal, nauwelijks meer dan twee bandensporen over de grond. Bramenstruiken en jonge berken dringen zich op vanaf de zijkanten, hier en daar afgewisseld met oudere loofbomen en sparren. Omgevallen stammen met ontblote wortelkluiten wijzen erop dat de grond onbetrouwbaar is.
En dan is er nog iets met de kleuren wat niet klopt, denkt Lova. De graspollen, de varens, de bladeren aan de bomen: allemaal hadden ze vroegzomers groen moeten zijn, maar ze zijn flets en dof. Alsof het gebruikelijke kleurenspectrum van de natuur hier niet geldt.
Het geroep van de uil houdt plotsklaps op. Lova zet de opname uit en kijkt tegelijkertijd over haar schouder. Ze hebben een flink stuk de bosweg gevolgd en de slagboom waar ze de auto hebben geparkeerd is allang uit het zicht verdwenen. Hoe ver is het terug? Minstens een kilometer. En naar bewoond gebied nog veel verder.
Ze zijn wel eerder op griezelige plaatsen delict geweest. Plekken waar vreselijke dingen zijn gebeurd. Maar geen daarvan was zo afgelegen.
Dottie is ook onrustig. De hond kijkt waakzaam om zich heen, heeft haar grote corgi-oren gespitst en likt nerveus langs haar snuit. Dottie is gehoorzaam en zou eigenlijk los kunnen lopen, maar in deze bossen zijn er wolven.
Volgens Filip overdrijft ze. Wolven zijn schuw, ze komen niet in de buurt van twee volwassen mensen. Maar er zijn genoeg verhalen op internet die hem tegenspreken.
Misschien is het de gedachte aan wolven waardoor Lova zich niet op haar gemak voelt. Maar daar is ze niet helemaal zeker van. Als de geruchten kloppen, herbergt het bos nog veel gevaarlijkere wezens.
‘Kijk!’ zegt Filip, en hij wijst naar het struikgewas. Daar staat een oud autowrak verscholen, gedeeltelijk overwoekerd door mos en struikgewas. Een berk is dwars door de achterklep heen gegroeid.
‘Die zal niet door de keuring komen,’ grapt hij. ‘De wraak van de natuur, of wat?’
Lova bekijkt het vastgepinde autowrak. De voorruit ontbreekt, de grille ook, en de behuizing van de koplampen gaapt hen leeg aan. Het doet Lova denken aan een doodshoofd.
Filip merkt haar bezorgdheid niet op. Hij filmt met zijn mobiele telefoon en is in een opperbest humeur. Maar Dottie blijft waakzaam. Ze steekt haar neus in de zwakke wind en snuift de lucht op.
Naarmate ze verder lopen, zien ze steeds meer autowrakken tussen de bomen. Eerst een paar, daarna meer. Tientallen, misschien zelfs tegen de honderd. Sommige zijn zo diep in de lage vegetatie gezakt dat alleen het dak of de spatborden nog boven de grond uitsteken.
‘Wauw, kijk die dan!’ Filip stapt de berm in op weg naar een van de wrakken.
Lova volgt hem, maar blijft na een paar stappen staan. De grond voelt vreemd aan, hard en zacht tegelijk. De bovengrond is kurkdroog, de begroeiing halfdood. Maar in de kuilen tussen de pollen hebben zich toch kleine poeltjes water gevormd, zo bruinrood en olieachtig dat het wel vloeibaar roest lijkt.
‘Maak een foto!’
Filip staat voor het wrak van een klassieke Amerikaanse slee die ooit blauw moet zijn geweest. Het grootste deel van de lak is al lang geleden door de elementen weggevreten en hier en daar is het mos helemaal tot aan de ramen gekropen. Het verval is spookachtig mooi. Lova maakt snel een paar foto’s met haar telefoon.
De ransuil roept opnieuw. Het klinkt anders dan eerder. Angstiger, indringender.
Pas nu merkt Lova dat er geen andere vogelgeluiden te horen zijn.
Geen enkele.
Ze denkt weer aan de verhalen op internet. Het is onmogelijk om die uit haar hoofd te zetten.
‘Zullen we verdergaan?’ vraagt Filip. ‘Het wordt bijna donker.’
Hun YouTubekanaal bestaat al een paar jaar. In het begin richtten ze zich alleen op urban exploration: gesloten fabrieken, verlaten huizen, kelders en tunnels. Tips en trucs om goede urbex-locaties te vinden en het meeste uit de ervaring te halen. Ze hadden misschien een paar honderd views per week. Voornamelijk van vrienden.
Maar een tijdje geleden kreeg Filip een nieuw idee. Ze zouden op zoek gaan naar verlaten plekken waar moorden waren gepleegd en daar filmen terwijl ze over de moorden vertelden. True crime meets urbex, zoals hij het zelf omschreef. Een briljant idee, dat moet ze toegeven. Het heeft hun kanaal tot iets unieks gemaakt. Tegenwoordig hebben ze tienduizenden views per aflevering en zijn ze er zelfs wat aan gaan verdienen. Filip overweegt al om zijn gewone baan terug te schroeven tot halve dagen. En misschien wordt de aflevering van vanavond wel hun grote doorbraak.
De steenslagweg eindigt bij een keerplaats die langzaam maar zeker door struikgewas wordt heroverd. Het terrein is hier hoger, het bos ouder.
Een donker gebouw ligt verscholen tussen de bomen.
‘Daar is de turffabriek.’ Filip haalt zijn kompas tevoorschijn. ‘De greppel waar ze in 1973 het Grijsmeisje hebben opgegraven, ligt ongeveer driehonderd meter die kant op,’ zegt hij, wijzend met zijn hand. ‘En de boerderij van de familie Offerlund ligt iets meer dan een kilometer die kant op.’
Filip wijst in de andere richting, naar een grillige, dode boom. Op een van de kale takken helemaal bovenin is een donkere schaduw te zien. ‘Zie je de ransuil?’
Lova schermt haar ogen af, ook al is dat in het steeds zwakker wordende schemerlicht niet nodig. De uil is bruingrijs met een wit gezicht, en heeft de pluimpjes op zijn kop waakzaam opgericht. De vogel staart haar strak aan terwijl ze dichterbij komen en spreidt dan langzaam zijn vleugels.
‘Het lijkt bijna alsof hij ons wil tegenhouden,’ zegt ze zachtjes.
Filip lacht en doet de beweging van de uil na. ‘Ga terug, ga terug,’ zegt hij overdreven dramatisch. ‘Pas op voor het Bos van Roest.’
Lova kan er niet om lachen. Een insect vliegt langs haar nek en ze slaat er geïrriteerd naar. Als ze haar blik weer op de dode boom richt, is de uil verdwenen, geruisloos weggevlogen.
‘Laten we eens kijken of de sleutel past.’ Filip loopt naar de turffabriek en Lova heeft geen andere keuze dan hem te volgen.
Ongeveer een week geleden lag er een envelop in hun brievenbus. Die bevatte een roestige sleutel en een briefje met gps-coördinaten, een datum en één enkele handgeschreven zin.
Deze avond slapen de wolven.
Zodra ze de coördinaten hadden ingevoerd en de gps-kaart op het scherm verscheen, begrepen zij en Filip om welke zaak het ging.
De moord op het Grijsmeisje.
Ze wilden al lang een aflevering over deze zaak maken, maar volgens alle urbex-forums is het onmogelijk om bij de plaats delict, de verlaten turffabriek, te komen. En de familie Offerlund, die zowel de fabriek als het autokerkhof eromheen bezit, stelt pottenkijkers niet op prijs. Op internetforums staan tal van verhalen van urbexers die zijn bedreigd of weggejaagd, of die bij terugkeer hun auto vernield hebben aangetroffen. Bovendien doen er geruchten de ronde over dingen die nog veel erger zijn.
In het Bos van Roest gelden andere wetten, zoals iemand schreef. Al honderden jaren verdwijnen er mensen en er loopt een moordenaar rond in het bos. Je kunt er maar beter uit de buurt blijven.
Maar nu hebben zij en Filip zowel een sleutel als een tijdvenster waarin het autokerkhof en de turffabriek niet bewaakt worden. Een kans om unieke content te creëren. Als de briefschrijver te vertrouwen is, tenminste.
Tot die ochtend had ze er niet zo bij stilgestaan. Maar ze heeft slecht geslapen en is wakker geworden met een knagend gevoel in haar borst.
Lova kijkt nog eens om zich heen. Misschien zoekt ze naar de ransuil, misschien naar iets anders. Iets wat hen vanuit de schaduwen in de gaten houdt. Een roofdier dat het juiste moment afwacht. Of een moordenaar…
Het insect is terug. Het kruipt met koude pootjes in haar nek, maar ze krijgt het nog steeds niet te pakken.
Het terrein voor de turffabriek is bezaaid met autowrakken. Het geraamte van een oude bus, een vrachtwagen zonder aanhanger, talloze half begraven personenauto’s in verschillende stadia van verval. Alles staat door elkaar tussen stapels motoronderdelen die zo verroest zijn dat ze niet meer te identificeren zijn.
Na een paar minuten slalommen tussen de schroothopen bereiken ze de fabriek. ‘Indrukwekkend, hè?’ zegt Filip.
Lova heeft foto’s van het gebouw op internet gezien, maar toch is ze overweldigd door de omvang ervan. De turffabriek is in feite een enorme houten schuur zonder ramen, honderd meter lang en zeker twintig meter breed. Het mansardedak is minstens tien meter hoog en reikt naar de kruinen van de rijzige bomen.
‘Het is bijna alsof je voor een Vikinghal staat, of niet?’ Filip wijst naar een dierenschedel met een gewei die onder de punt van het dak hangt. De schedel is opgelapt met roestige stukjes metaal, wat een grotesk contrast schept met het vergeelde bot. ‘Een eland,’ zegt hij. ‘Die hing hier waarschijnlijk al lang voordat jij en ik geboren waren. Ik weet niet of ik het cool of griezelig moet vinden.’
‘Griezelig, zonder twijfel,’ zegt Lova nadrukkelijk. Ze filmt de verminkte elandenschedel en laat de camera vervolgens over de gevel glijden. De ruwe planken zijn grijs geworden door de tand des tijds, maar vertonen geen gaten of sporen van vandalisme.
‘De wanden zijn verrassend intact voor iets wat meer dan tachtig jaar oud is,’ zegt Lova. ‘Net als het dak.’
‘De planken zijn van stevig kernhout en de boomkruinen bieden bescherming tegen de zon,’ zegt Filip. ‘Bovendien jaagt de familie Offerlund alle indringers weg.’
De dubbele deur in het midden van de lange zijde zit dicht met twee dikke, gekruiste stalen balken en een groot oud hangslot. Filip heeft de sleutel al in zijn hand, maar Lova houdt hem tegen. Het onaangename gevoel van daarnet is bijna verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor gespannen opwinding.
‘Wacht! We filmen terwijl je de sleutel test. Dat maakt het spannender.’
‘Geniaal, schat!’ Lova zegt Dottie te gaan liggen en zet de camera van haar telefoon aan. Het licht is eigenlijk te zwak, maar de korreligheid draagt alleen maar bij aan de dramatiek. Filip gaat voor de deur staan. Lova start de opname en gebaart dat hij kan beginnen.
‘We bevinden ons diep in het grensgebied tussen Skåne en Småland,’ begint hij. ‘In een enorm hoogveengebied dat de lokale bevolking het Bos van Roest noemt. Het dankt zijn naam aan het ijzerhoudende gesteente dat de grond en het water kleurt.’ Hij is precies lang genoeg stil. Zoals altijd is Lova onder de indruk van zijn snelle omschakeling naar zijn presentatorpersoonlijkheid. Zelf vindt ze hem misschien iets te dramatisch, maar hun kijkers zijn dol op hem.
‘Het Bos van Roest is al bewoond sinds de ijzertijd,’ vervolgt Filip. ‘Er zijn tal van historische vondsten die erop wijzen dat het door de eeuwen heen het toneel is geweest van allerlei duistere praktijken en heidense rituelen. Rituelen die verband houden met een veel recenter misdrijf, waar we straks op terugkomen.’
Hij is opnieuw stil. ‘Tijdens de oorlog en tot ver in de jaren zeventig werd er turf gestoken in het Bos van Roest, en we staan op dit moment voor een oude turffabriek uit die periode.’
Hij legt zijn hand op de houten deur en zet een onheilspellender toon op. ‘In november 2013 werd in dit verlaten gebouw een gruwelijke vondst gedaan. Het lichaam van een mooie, jonge vrouw, op beestachtige wijze vermoord en verminkt.’
Filip voert de dramatiek op. ‘Op de plaats delict trof de politie vreemde sporen aan. Sporen die deden denken aan een geofferde jonge vrouw uit de Vikingtijd die eerder in deze omgeving was gevonden. Een veenlijk dat het Grijsmeisje wordt genoemd.’
Hij recht zijn rug en kijkt ernstig in de camera. ‘Mijn naam is Filip Sahlberg en je kijkt naar Mysterieuze moordlocaties. Dit is de moord op het Grijsmeisje.’ Hij houdt zijn blik op de camera gericht totdat Lova de opname stopt.
‘Perfect,’ zegt ze. ‘We gaan meteen verder met de sleutel. Vertel waar je die vandaan hebt voordat we hem in het slot steken.’ Filip houdt de sleutel in beeld. ‘We hebben een sleutel van de turfschuur gekregen van een anonieme briefschrijver,’ zegt hij. ‘De afzender beweerde dat er vanavond een unieke kans was om binnen te komen. Nu moeten we nog zien of de tip klopt.’
Hij draait zich om en begint aan het hangslot te morrelen. Lova’s hart gaat steeds harder kloppen. Filip probeert de sleutel om te draaien, maar er gebeurt niets. Hij wrikt een paar keer in het slot en trekt de sleutel er dan weer uit.
‘Verdomme,’ zegt hij. ‘Het gaat niet open.’
Lova stopt met filmen. In de verte klinkt een dof gerommel, gevolgd door een windvlaag die door de boomtoppen raast. Dottie jankt. Ze houdt niet van onweer.
Lova doet haar rugzak af, opent een van de zijvakken en haalt er een flesje slotspray uit. ‘Hier! Probeer dit eens.’
Filips gezicht klaart op. ‘Lieverd, als ik jou toch niet had.’ Hij spuit wat van de spray in het slot en wrikt dan opnieuw met de sleutel.
‘Het lukt!’ roept hij uit. ‘Vlug, opnemen!’
Lova filmt hem terwijl hij het hangslot openmaakt.
‘Onze geheime volger heeft woord gehouden. De sleutel past!’ juicht Filip.
Hij tilt de zware stalen balken op en begint aan de deur te trekken. Lova doet een paar stappen achteruit om alles in beeld te krijgen. De oude scharnieren knarsen onheilspellend terwijl de deur langzaam opengaat.
Op de drempel blijven ze staan. Dottie steekt haar neus in de lucht en snuffelt hoorbaar. De lucht in de turffabriek is vochtig en ruikt naar kelder, olie, ijzer en iets wat Lova niet kan thuisbrengen.
Iets oerouds en onaangenaams.
Hier en daar sijpelt grijs schemerlicht naar binnen tussen kieren in de houten wanden en het plafond. Verder heerst er duisternis.
Filip doet zijn zaklamp aan. ‘Wauw.’
