Leesfragment uit 'De koffiebar van tweede kansen'
HET EERSTE KOPJE
Een eenmalige prelude
1
Het getoeter van de auto’s deed pijn aan mijn oren. Do, la. Als ik somber ben, hoor ik noten in de geluiden van de stad, de noten komen automatisch in me op, zoals bij een solfège-oefening.
Vandaag was het lawaai erg luid. Er was van alles te veel. Te veel dingen, te veel mensen. Sapporo was een grote, maar toch heel kleine stad.
Voor het dagelijks leven was het praktisch. Maar voor iets – ja, voor iets groots, iets serieus was Sapporo te klein. Veel te klein. Bijvoorbeeld om er een pianiste van wereldfaam te worden.
Toen mijn vader naar het buitenland werd overgeplaatst, stond mijn moeder erop in Japan te blijven. Ze wilde haar comfortabele leventje niet opgeven en verhuisde met mij, net drie geworden, en mijn pasgeboren zusje van Sapporo naar haar ouders in haar geboortestad Obihiro.
In het huis van mijn oma stond een oude piano. Die was verschrikkelijk vals.
Toch was ik blij om erop te kunnen spelen en als klein kind pingelde ik mijn lievelingsliedjes van de kinderprogramma’s op tv.
Niemand had me dat geleerd.
Mijn moeder en mijn oma waren verrast, toen ze me zo op de piano zagen spelen en brachten me nog dezelfde week naar een pianoleraar.
Ik was een wonderkind.
Ik hoefde een liedje maar één keer te horen en ik kon het meteen naspelen, hoewel ik nog heel klein was.
De volwassenen waren verrukt wanneer ze zagen hoe ik met mijn korte armpjes aan de piano mijn best deed. Zelfs de televisie kwam langs om verslag over mij te doen en ik werd voor evenementen in de prefectuur uitgenodigd, waar ik met verschillende beroemdheden optrad.
Destijds genoot ik enorm van het pianospelen en omdat ik mijn moeder en oma een plezier wilde doen, speelde ik de hele dag door.
Maar zoals bij veel wonderkinderen het geval is, namen de goden me na mijn tiende mijn gave ook weer af. De goden beschermen alleen kleine kinderen.
Mijn moeder weigerde echter halsstarrig te accepteren dat ik alleen nog een heel normaal kind was en besloot me naar een muziekschool in het buitenland te sturen. Niet eens naar het land waar mijn vader als expat naartoe was gezonden, maar naar Engeland, waar we helemaal geen connectie mee hadden. Ik zat nog steeds op de basisschool.
Mijn moeder was er rotsvast van overtuigd dat het aan mijn omgeving lag dat ik geen vorderingen meer maakte. De docenten waren slecht. Obihiro, Sapporo en zelfs heel Japan waren te klein om mijn talent te stimuleren.
Toch is mijn moeder nooit met mij naar het buitenland meegegaan, ze was niet eens mijn vader gevolgd.
En zo kwam het dat ik opeens alleen naar een muziekinternaat in Engeland ging, hoewel ik nauwelijks een woord Engels sprak. En bovenal: ik had er niets aan. Ik was geen wonderkind meer.
Misschien waren de goden kwaad dat een doodnormaal kind deed alsof het iets bijzonders was? In elk geval kreeg ik uiteindelijk een ongeluk.
Eerlijk gezegd herinner ik me daar niet veel van. Het was te angstaanjagend om te onthouden.
Toen ik weer bijkwam, lag ik in een ziekenhuisbed en mijn leven was weliswaar gered, maar de vingers van mijn linkerhand waren er bijna afgerukt.
Een vriendelijke arts – eigenlijk precies het tegendeel van de goden – naaide ze er weer aan. Na een tijdje kon ik mijn vingers weer bewegen, maar het pianospelen was voorbij, in elk geval mijn carrière als pianist, en er zat niets anders op dan terug te gaan naar Japan.
Net rond die tijd stierven ook nog mijn grootouders, op wie ik altijd had kunnen rekenen, mijn moeder scheidde van mijn vader en keerde met mij en mijn zus terug naar Sapporo.
Hoewel ze me vertelde dat Sapporo mijn geboortestad was, kon ik het me nauwelijks herinneren.
Zo begon mijn leven in een stad die ik niet kende en met vingers die geen piano meer konden spelen.
In deze grote, maar toch kleine stad.
Alle volwassenen zeiden tegen me dat het ‘een nieuwe start in een nieuwe omgeving’ was; in dit soort tijden was het beter om helemaal opnieuw te beginnen.
Maar ik wilde liever een nieuwe start maken op een plek die ik kende, bij mensen die ik kende.
Mijn moeder begreep de angst niet om in je eentje op een onbekende plek in het diepe te worden gegooid. Ze kon zich niet voorstellen hoe het voor mij voelde dat ik door mijn revalidatie pas een maand na het begin van het schooljaar naar mijn nieuwe school kon.
Ik wist heel goed dat nieuwe vrienden maken niet mijn sterkste kant was. En als ik pas zo laat op mijn nieuwe school kwam aanzetten, was ik vast het vijfde wiel aan de wagen; de andere kinderen zouden al vriendschappen hebben gesloten.
Ik was bang voor de school in de stad. In mijn eentje voelde ik me niet op mijn gemak bij wildvreemden. Maar de eerste schooldag diende zich onvermijdelijk aan.
Achter de deur wachtte een wolkeloze, stralend blauwe hemel op me. Vreselijk. De ochtendzon straalde fel en bruut op mijn gezicht. Mijn moeder was blij dat de zon scheen op mijn eerste schooldag, maar ik wilde alleen nog maar schreeuwen toen ik naar buiten moest.
‘Himari, aan de kant! Je staat in de weg.’
Mijn jongere zusje Nanoka duwde me bij de voordeur gewoon opzij. Hoewel ze pas in groep 6 zat, was Nanoka veel kordater dan ik.
O, wat haat ik dit allemaal.
De tranen schoten in mijn ogen.
De te lange mouwen van mijn blouse, de dikke blazer van het schooluniform, de zware rugzak, de onbekende geur van de ochtend – wat haatte ik dat.
Ik baalde, baalde, baalde, baalde van alles.
Ik had het gevoel dat alles verkeerd zou gaan.
Even overwoog ik om alles erbij neer te gooien en gewoon de straat op te rennen, maar ik was bang voor de pijn van een aanrijding.
En zelfs als ik stierf, zou mijn moeder weer een gezicht opzetten alsof zij de ongelukkigste vrouw op aarde was. Net zoals toen ik uit Engeland terugkwam.
Ik wilde niet gaan, maar had geen keus. Als ik thuisbleef, wachtte me de verschrikkelijke verwachtingsdruk van mijn moeder, die nog steeds geloofde dat het me ooit weer zou lukken om piano te spelen.
Met het gevoel dat mijn hart met elke ademhaling kromp, ging ik langzaam op weg naar school.
‘Hé, jij daar! Je rok is te kort, trek hem niet zo op! En jij! Kleine kabouter! Als je de riem van je tas zo lang maakt, sleept die toch over de grond! Hé, en jij! Niet op je mobiel kijken tijdens het lopen! Kijk naar voren, naar voren!’
Onder de blauwe hemel weerklonk het gekijf van een vrouw van middelbare leeftijd – nee, bij nader inzien van een bejaarde vrouw.
Voor een huis omringd met een haag van azalea’s, stond ze te foeteren en te vitten op iedereen die langs haar heen liep.
Ze was gekleed in felle knalkleuren, rood, geel en paars, van een traditioneel gewaad, wellicht ergens uit Zuidoost-Azië, dat haar leeftijd op het eerste gezicht niet verried, maar ze was zeker boven de zestig.
Haar witte haar was paars geverfd en ze droeg een hoofddoek. Met een bezem in de hand stond ze luidkeels te tieren.
Ik verstarde helemaal. Maar het zou te veel opvallen om zonder stoplicht zomaar de straat over te steken, en de oude vrouw riep toch ook opmerkingen naar de kinderen aan de overkant.
Tja… wat moest ik doen, er was geen uitweg.
O nee…
Ik heb geen andere keus. Vanaf morgen neem ik een andere route. Vandaag verstop ik me in mijn blazer en sluip er op de een of andere manier langs…
Ik concentreerde me op de neus van mijn schoenen en wilde snel en onopvallend langs de oude vrouw glippen, terwijl ik mezelf als een mantra voorhield: ‘Alsjeblieft, zie me niet! Zie me niet!’
Maar: ‘Hé, jij daar.’
O, lieve help.
‘Ja, jij daar, kleintje… Ja, jij!’
Wat een verschrikkelijke dag!
‘Eh, wat zegt u?’’
Mijn gebeden waren niet verhoord. De oude vrouw had me aangesproken.
Misschien had ik haar moeten negeren en moeten weglopen, maar dat vond ik ook eng, dus tilde ik aarzelend mijn hoofd op.
Van dichtbij was de oude vrouw nog kleurrijker en opvallender. Haar ogen waren groen omlijnd, met gouden glitters, en ze droeg oranje lippenstift.
Het was heel erg angstaanjagend.
Mijn oma had zich op die leeftijd ook nog opgemaakt, maar met zachtere kleuren en lang niet zo fel en opdringerig.
‘Goede… morgen…?’
Ik was bang dat ze zou gaan schelden, als ik niet antwoordde, dus groette ik haar voorzichtig.
‘Goedemorgen. Wat kijk jij nou? Je gezicht staat op drie dagen onweer!’
‘Echt…?’
Het was beter geweest als het echt had geonweerd.
Als er tegelijkertijd een tyfoon en een tornado waren gekomen en de school dichtging. Dat zou geweldig zijn.
‘Jij komt hier niet uit de buurt, hè? Maar je hebt wel het uniform van de school hier aan. Loop je opeens een andere route naar school? Heb je een slechte dag?’ vroeg de oude vrouw nieuwsgierig alsof ze mijn gedachten kon lezen.
Haar stem klonk aangenaam, ik moest aan een tenorsax denken. Ik voelde me iets beter.
‘Ik… ik ben hier net komen wonen en lag daarvoor in het ziekenhuis en… vandaag is mijn eerste schooldag…’
‘Ziekenhuis? Ben je ziek?’
‘Ik… ik heb een ongeluk gehad en ben gewond geraakt.’
Toen ik haar mijn verbonden linkerhand liet zien, fronste ze haar voorhoofd.
‘Is het nog niet genezen?’
‘Jawel, het is weer aan elkaar gegroeid, maar de dokter vond dat zolang de littekens zo duidelijk te zien zijn, ik het verband er beter om kon laten.’
‘Aha…’
Alleen al door het verband kon de oude vrouw de ernst van mijn verwonding zien.
Ze trok het typische ‘och, arm kind’-gezicht, zoals alle volwassenen deden als ze over mijn verwonding hoorden.
Dat gezicht had ik al zo vaak gezien. De woorden die volgden waren ook altijd dezelfde – ‘Maar je moet dankbaar zijn dat je het hebt overleefd’ of ‘Het komt allemaal goed, geef niet op, je zult weer piano kunnen spelen.’
Elke keer dacht ik: dankbaar, wie moet ik dankbaar zijn dan? Het wordt weer beter? De dokter zegt dat dat onmogelijk is.
Maar de woorden van de oude vrouw waren anders, en ze zei ze met een uitdrukking van opluchting op haar gezicht.
‘Dus… het doet geen pijn meer?’
‘Nou. Soms voel ik een stekende pijn als ik iets zwaars til, maar verder eigenlijk niet.’
‘O, dat is goed. Het breekt mijn hart als ik bedenk dat zo’n jong meisje pijn heeft. Maar waarom zo’n somber gezicht? Nu kun je toch eindelijk naar school?’
Pff.
‘Of wil je er niet heen?’
‘Als ik een maand later in de klas kom, vind ik geen vrienden meer. En scholen in een grote stad maken me bang. Misschien pesten ze me…’ mompelde ik en de oude vrouw fronste haar voorhoofd weer.
‘Sapporo kun je toch met de beste wil van de wereld geen grote stad noemen. Oké, een dorp is het ook niet echt.’ Het was zeker niet zo landelijk als Obihiro of de voorsteden waar ik in Engeland had gewoond.
Waarom dachten volwassenen steeds dat ik graag naar school ging?
Na een maand waren er in de klas al vriendschappen ontstaan en was het niet makkelijk om daar nog tussen te komen. Waarom begreep niemand dat? Konden ze zich dan totaal niet in mijn situatie verplaatsen?
‘Ik weet dat er een leerplicht is, maar… het was beter geweest als we niet waren verhuisd. Dan had ik misschien één of twee mensen gekend, ook al was ik een maand later in de klas gekomen.’
‘Dat begrijp ik. Maar de kinderen op school weten toch dat je door je wond gewoon niet eerder kon komen?’
‘Ja… waarschijnlijk wel…’
‘Dan komt alles goed. Wie zo duidelijk gewond en meelijwekkend is, wordt niet gepest. De anderen willen tenslotte sterk overkomen door welwillend te zijn.’
‘Hm…’
‘Daarom worden vaak degenen gepest die niet echt zielig zijn, maar te vriendelijk en te rustig om anderen pijn te doen, en degenen die zich niet kunnen weren.’
Ik had niet het idee dat ik sterk overkwam, maar was ik echt zo klein en petieterig dat ze me ronduit wegzette als een zielenpiet?
‘Juist ja…’
Om te horen wat de vrouw van me dacht, deed een beetje pijn, nee, eerlijk gezegd deed het behoorlijk pijn.
‘Je bent zo klein en het verband laat iedereen zien dat je duidelijk iets mankeert. Je ziet er zielig uit. Daarom komt het allemaal goed. De anderen zullen aardig tegen je zijn en dat kun je in je voordeel gebruiken.’
‘In mijn voordeel…? Maar dat wil ik niet.’
‘De slimste manier is om het beste te maken van wat je hebt. Zelfs de beklagenswaardigste kinderen zien er nog beklagenswaardiger uit als ze doen alsof ze dapper zijn. Een simpele glimlach is genoeg.’
‘Moet ik het medelijden van de anderen uitbuiten?’ vroeg ik ongelovig, maar de oude vrouw schudde haar hoofd.
‘Het is een begin. Verder draag je nette kleren. Je schooluniform is nog wel te groot, maar dat is bij iedereen zo die net op de middelbare school zit. Tot je laatste jaar kun je ermee doen. Daarnaast heb je een goede houding en mooi, glanzend haar. Niemand zal iets tegen je hebben.’
‘Maar…’
De outfit van de oude vrouw deed je bepaald niet als eerste aan ‘goede kinderen’ denken, maar ze pakte me bij de schouder en zei serieus: ‘Geen gemaar. Dit is voorlopig voldoende. Als je met hen bevriend raakt, zien ze dat je een goed kind bent en ze zullen je aardig vinden.’
Ze was echt vreemd. Ze kende me helemaal niet.
‘Maar ik ben geen goed kind.’
‘Ja, dat ben je wel. Niet veel kinderen zouden een oud, knorrig mens zo beleefd groeten.’
‘Dat is, omdat…’
‘Dus stop met zo’n gezicht te trekken en glimlach. Niemand houdt ervan als je zo afwijzend kijkt. Maak je geen zorgen en kijk gewoon positief vooruit. Oké?’
‘Ja.’
Een goed kind was ik echt niet.
Als ze me niet rechtstreeks had aangesproken, had ik haar genegeerd en was ik weggelopen zoals alle andere kinderen. Maar de woorden die ze tegen mij, een volslagen onbekende, had gezegd, kwamen echt bij me binnen.
Misschien lag het aan haar zachte, diepe stem… nog nooit had iemand zoiets tegen me gezegd.
‘En als je daadwerkelijk wordt gepest, laat het me weten. Dan kom ik met mijn bezem en geef daarmee alle gemene kinderen een pak slaag.’
‘Geweld is geen oplossing!’
Ergens had ik het gevoel dat deze oude vrouw het serieus meende en ik voelde paniek opkomen.
Ze vertrok haar gezicht en zei dat de wereld ingewikkeld was geworden. Maar ik vond dat geweld altijd het verkeerde middel was.
‘Maak je geen zorgen. Niemand zoekt ruzie met bejaarden. Ik zorg er wel voor dat niemand je iets doet.’
‘Maar dan roepen de anderen de politie!’
Ze zwaaide met haar bezem en zei: ‘Laat ze maar komen!’ En ik moest lachen.
Zij lachte ook hard, zag mijn kuiltjes en kneep zachtjes in mijn wang. ‘Daar is-ie, je glimlach! Maar nu moet je opschieten. Je wilt toch niet meteen op de eerste dag te laat komen?’
Ik merkte dat we al best een tijdje hadden staan praten.
Maar ik voelde me stukken lichter.
‘Als het echt niet gaat, is er altijd een andere weg. Wees niet pessimistisch. Als het niet lukt, kun je altijd nog weglopen. Je hoeft niet te verdragen wat je enorm tegenstaat. Lopen maar,’ zei de oude vrouw zacht.
Haar vriendelijke stem en haar blik deden me een beetje aan mijn overleden oma denken.
‘Ja… dan… ga ik maar.’
Ik maakte een buiging en vervolgde mijn weg. Toen ik me omdraaide, zag ik dat ze me nakeek en met de bezem maakte ze een zwaaiend gebaar dat waarschijnlijk ‘Schiet op’ betekende.
Normaal zou ik nooit zo lang met een vreemde hebben gesproken en was ik vast zenuwachtig geworden. Maar deze oude vrouw vond ik – misschien juist vanwege haar excentrieke verschijning – niet onsympathiek.
Ik dacht te merken dat ze werkelijk bezorgd om me was en misschien wilde ik dat gewoon van iemand horen.
‘Ja, ik ga nu,’ fluisterde ik zachtjes en ik kneep in mijn verbonden hand.
2
Toen ik uiteindelijk voor mijn nieuwe klas stond, was ik zo zenuwachtig dat ik me flink misselijk voelde, maar ik probeerde te glimlachen zoals de oude vrouw me gezegd had.
Ik ging in de houding staan alsof ik een soldaat op appel was, terwijl ik telkens aan de zoom van mijn uniform plukte. Of ik sympathiek glimlachte, weet ik niet, maar het was beter dan een nors gezicht.
Het was een goede raad op het laatste moment geweest. Als ik die niet had gehad, zou ik hier zeker weten als een zuurpruim hebben gestaan of was ik misschien zelfs in tranen uitgebarsten.
‘Misaki is een heel getalenteerde pianiste en zat in het buitenland op een muziekinternaat, maar helaas heeft ze een ongeluk gehad en daarom is ze teruggekomen naar Sapporo. Haar kennis over het leven in het buitenland zal voor jullie allemaal leerzaam zijn, maar ze zal ook ondersteuning nodig hebben. Wees dus aardig voor haar en help haar.’
Zo stelde de klassenleraar, mevrouw Murasawa, die een leuk kort kapsel droeg, me aan mijn klasgenoten voor. Mijn plaats was in de tweede rij van voren, midden in het lokaal, zodat de blikken van de hele klas op mij gericht waren toen ik ging zitten.
‘Zo, dan beëindigen we hiermee de voorstelling,’ zei de lerares met een glimlach en meteen sprak het meisje naast me mij aan – een vrolijk uitziend meisje met twee vlechten.
‘Ik heet Yamane, leuk dat je nu bij ons in de klas zit. Wat bijzonder dat je in het buitenland op een internaat hebt gezeten. Ik speel ook al lang piano. Wat voor soort dingen speel je?’
‘Ehm… Chopin en Rachmaninov…’
‘Wow, cool zeg! Dan speel je echt op een hoog niveau!’
Zodra ik iets gezegd had, spraken niet alleen Yamane, maar ook de andere meisjes om me heen met mij.
Zelfs de jongens keken me aan en glimlachten schuchter of vroegen of het eten in Engeland echt zo vies was zoals je altijd hoorde. We waren druk aan het praten tot de eerste les. Ondertussen was ik zo bang.
Maar zoals de oude vrouw had voorspeld: niemand leek de zwakste te pesten. Waar was ik vanochtend toch zo bang voor geweest?
Alleen bij de jongen met het korte kapsel, die achter me zat, voelde ik me niet op mijn gemak. Hij heette Chitose en was klein van stuk, ongeveer even groot als ik, net een basisschoolkind. Maar hij keek me zo vijandig aan dat ik me automatisch kleiner voelde.
Yamane en haar vriendinnen nodigden me in de lunchpauze uit om bij hen te komen zitten.
‘Dus je hebt vroeger in Obihiro gewoond?’ vroeg Oikawa me, een leerlinge met bril uit de parallelklas.
‘Ja, mijn vader werd overgeplaatst, toen mijn zusje nog een baby was, en we zijn naar Obihiro verhuisd omdat mijn moeder daar familie had. Ik kan me bijna niets van Sapporo herinneren.’
‘Je bent dus in Sapporo geboren?’ vroeg Tani, een knap meisje met vlechten. De drie meisjes waren al vanaf groep 3 bevriend. Yamane, Kawa en Tani – ze lachten en legden uit dat ze samen als een landschap klonken: Yama, de berg, Kawa, de rivier en Tani, het dal.
‘Tot de kleuterschool heb ik hier gewoond. Maar ik herinner me het nauwelijks, dus verdwaal ik makkelijk. Vanochtend sprak een vreemde oude vrouw me aan.’
‘Op weg naar school?’
‘Ja. Ze zag er ontzettend excentriek uit.’
‘Dat was vast mevrouw Sugiura. Die werkt iedereen op de zenuwen.’
‘O, oké.’ De drie wisselden een geamuseerde blik uit.
‘Maar ze let al jaren op de kinderen op weg naar school, zelfs bij slecht weer. Ze is een soort lokale bekendheid.’
Yamane leek niets tegen de oude vrouw te hebben.
‘Ze ziet er heel apart uit, maar ze zorgt ervoor dat kinderen in de winter niet op de straat hoeven te lopen omdat zij de sneeuw van de stoep schept.’
‘Dat is aardig…’
‘Het is echt handig, omdat de kinderen niet door de sneeuw hoeven te zwoegen als ze naar school gaan,’ bevestigde Tani. ‘De basisschoolleerlingen mogen op zulke dagen in skikleding naar school, maar de leerlingen van de middelbare school mogen dat niet.’
‘Ze is dus geen slecht mens.’
‘Anders had iemand haar allang aangegeven!’
Oikawa lachte hard en de anderen lachten mee. Ik lachte ook. Ik wist dat ze geen slecht persoon was, want als ik mevrouw Sugiura ’s ochtends niet was tegengekomen, had ik nu niet zo kunnen lachen.
Zo ging de tijd waarvan ik had verwacht dat die heel naar zou worden, in plaats daarvan vliegensvlug voorbij. Plotseling was het tijd om naar huis te gaan. Na de lessen sprak de lerares kort met mij over het huiswerk dat ik tijdens mijn afwezigheid had gemist, en de bijlessen die ik moest volgen om mijn achterstand in te halen. Daarna kon ook ik naar huis.
Ik was helemaal afgepeigerd, maar er was nog een bepaalde plek waar ik per se naartoe wilde.
Toen ik de schoolpoort uitliep, was het intens diepe blauw van de lucht in de ochtend veranderd in een zacht hemelsblauw. De zon die in de ochtend nog fel was geweest, leek nu zachter, en ik wilde diep ademhalen.
Er was me verteld dat de kersenbloesem in Sapporo vroeg bloeide, maar direct voor de poort ontdekte ik late kersenbloesems en andere grote struiken met geurende bloemen.
Wat voor bloemen waren dat? Wit, roze en paars, ze zagen eruit als hyacinten. Terwijl ik daarover nadacht, liep ik de weg terug die ik die ochtend had genomen.
De bloemen schenen erg geliefd te zijn, ze bloeiden in heel veel tuinen; ’s ochtends waren ze me helemaal niet opgevallen.
Al snel zag ik het huis van mevrouw Sugiara.
De leerlingen van de basisschool waren inmiddels al naar huis en dus stond de oude vrouw niet meer buiten. Maar toen ik door de heg gluurde, zag ik dat ze in de tuin werkte.
De mooie bloeiende struiken stonden ook in mevrouw Sugiura’s tuin. Ze waren hardroze. De vrouw merkte me niet op.
Ik overwoog of ik gewoon zonder iets te zeggen naar huis moest gaan, maar toen raapte ik mijn moed bij elkaar.
‘Hoe heten deze bloemen die hier overal staan?’
Mevrouw Sugiura draaide zich verrast om, kwam overeind en keek me glimlachend aan.
‘Dat is een sering. De stad deelt elk jaar gratis stekken uit, daarom bloeien de struiken in deze tijd van het jaar overal. Ze staan nog niet in volle bloei, maar de knoppen zijn mooi. Een van mijn lievelingsbloemen.’
‘Seringen… daar heb ik weleens van gehoord. Zijn ze nog niet helemaal open?’
Bij nader toezien waren de meeste knoppen nog dicht, maar hier en daar openden de bloempjes hun vier blaadjes. Het waren kleine bloeiwijzen, net als hortensia’s!
‘Je ziet er heel anders uit dan vanochtend.’
De sering geurde zo lekker dat ik eraan rook, en mevrouw Sugiura glimlachte naar me.
‘Zoals u zei, tante, het was helemaal niet erg.’
‘Zie je! Maar noem me alsjeblieft niet zo. Anders voel ik me plotseling heel oud.’ Mevrouw Sugiura had haar gezicht vertrokken toen ik haar ‘tante’ noemde. ‘Noem me Sugiura. En jij bent?’
‘Ik heet Himari Misaki. Dat betekent zonnebloem, omdat mijn vader daar zo van houdt.’
‘Wat een mooie naam. Ik plant nu ook zonnebloemen. De kinderen op straat vinden ze zo mooi.’
Mevrouw Sugiura leek opgetogen. Zoals Yamane had gezegd, had ze echt hart voor de kinderen die langs haar huis liepen.
Ik vroeg me af waarom ze niet gewoon wat minder afschuwelijke kleren droeg… maar het was niet goed om iemand op zijn kleding te beoordelen. Ik zou het ook niet leuk vinden als iemand mijn lievelingskleren raar vond.
‘Kan ik u een beetje helpen?’
Om van dat gepeins af te komen, bood ik mijn hulp aan.
Het was een kleine genoegdoening en een bedankje voor die ochtend.
‘Als je me wilt helpen, zou dat geweldig zijn.’
‘Ik hielp mijn oma altijd graag met tuinieren toen ze nog leefde.’ Dat was gelogen. Mijn moeder had me nooit laten helpen, uit angst dat er iets met mijn handen gebeurde.
Maar nu wilde ik me hier in de tuin graag een beetje nuttig maken.
‘Help me dan maar.’
Omdat ik een uniform droeg, lette ik op dat het niet smerig werd, zaaide een paar zonnebloempitten en gaf ze water.
‘Jouw naam betekent zonnebloem, dus dan zijn de bloemen in de tuin vast en zeker blij.’ Dat zei mevrouw Sugiura, hoewel wat ik deed nauwelijks de moeite waard was. Toch voelde ik me heel gelukkig en ik veegde ijverig het zweet van mijn voorhoofd.
Ik had mijn best gedaan om niet vuil te worden, maar nu had ik toch een dikke modderstreep over mijn gezicht. Mevrouw Sugiura glimlachte.
‘Als je wilt, kun je mee naar binnen komen om je handen te wassen en iets fris te drinken.’
‘Ehm…’
Eerlijk gezegd was ik liever buiten gebleven. Mevrouw Sugiura was nog altijd een ‘vreemde’. Je kon toch niet zomaar het huis van een vreemde binnengaan?
Ze begreep dat blijkbaar en vroeg me nog eens heel voorzichtig of het voor mij oké was om binnen te komen. Ik vond haar echt aardig.
‘Misschien kunnen we vandaag ook heel goed buiten blijven,’ zei mevrouw Sugiura, toen ze mijn aarzeling merkte.
‘Nee! Als het u niets uitmaakt, kom ik graag binnen…’
‘Geen probleem. Wacht hier even. Ik haal een handdoek.’ Ze wees naar de kraan naast de deur en liep naar binnen. Ik waste mijn handen en daar kwam ze terug met een handdoek en een dienblad met een donkerbruine drank. Het leek niet op cola, dus was het waarschijnlijk zwarte koffie met ijsklontjes.
Ze zette het dienblad op de veranda en pakte er een klapstoel en een trapje bij.
Mevrouw Sugiura woonde blijkbaar alleen in dit huis. Had ze geen familie?
Door de open verandadeur zag ik op een huisaltaar twee ingelijste foto’s, maar ik kon niet precies zien wie erop stond. Ik zag alleen witte, paarse en gele chrysanten.
‘De trapladder gebruik ik altijd bij de grote vuurwerkshows in de zomer, ik heb maar één stoel.’ Ze lachte en bood me de stoel aan, terwijl zij op het trapje ging zitten.
‘Ik kan ook op het trapje gaan zitten of blijven staan.’
Maar ze bleef erbij dat het trapje comfortabeler was en wilde niet met me ruilen.
Het was een ongewone namiddagpauze op de veranda. We begonnen een gesprek en bekeken de witte lucht voor de zonsondergang.
‘Een ongeluk in het buitenland, hm?’
Ik vertelde haar over mezelf toen ze ernaar vroeg. Wat als een verhaal over mezelf begon, veranderde in een klacht.
‘Ja, het is echt niet makkelijk om terug naar af te gaan en opnieuw te beginnen.’
‘Precies. Maar allemaal beweren ze steeds dat het zo makkelijk is. Ik heb vaak tegen mijn moeder gezegd dat ik niet in Sapporo naar school wilde, maar ze hield vol dat het beter was. Terwijl zij het toch niet is die naar school moet, maar ik!’
Zo was het altijd gegaan. Mijn moeder besliste over mijn toekomst en liet me daarna aan mijn lot over.
‘Toen ik naar het buitenland vertrok, voelde ik me alsof ik in mijn eentje het heelal in werd gegooid.’
Toen ik dat zei, rolde er een traan over mijn wang.
‘Ja… Je moet een kind bij de hand nemen tot het alleen kan lopen… Dat is de verantwoordelijkheid van de ouders. Ook leerlingen van de middelbare school zijn nog kinderen,’ mompelde mevrouw Sugiura zachtjes, terwijl ze naar een moeder met haar zoontje keek, die net voorbijliepen. Het jochie van kleuterleeftijd hupte vrolijk naast zijn moeder die hem aan de hand hield.
We keken het paar zwijgend na.
Als mijn moeder naar het buitenland was meegekomen, was het ongeluk misschien niet gebeurd…
Mevrouw Sugiura reikte me een kopje koude koffie aan, alsof ze mijn gedachten had geraden.
Het rook heel lekker, zoet en naar karamel. Ik had nog nooit koffie geproefd, maar zoiets kon ik zeker drinken.
Maar de eerste slok verraste me. ‘Oei, dat smaakt bitter.’
Dat had ik niet verwacht.
‘Haha, misschien ben je hier nog te klein voor.’
Vervolgens was ik wat beledigd, maar koffie was echt bitter. Niet te geloven dat volwassenen zo’n drank lekker vonden.
Was ik pas volwassen als ik tegen de bittere smaak kon en die lekker vond? Of hielden volwassenen echt van de smaak?
‘Neem wat suikersiroop en melk, dan is het beter te drinken.’
Ze lachte om mijn verschrikte blik en schoof me de siroop en melk toe.
Ik hield van de koffiemelk van Yukijirushi, dat was zoete melk die lichtjes naar koffie smaakte. Zonder te aarzelen, deed ik daarom twee porties suikersiroop en een grote scheut melk in de zwarte koffie.
Nadat ik goed geroerd had, nam ik een slok van het lichtgekleurde mengsel.
‘Hm. Koffie blijft koffie, ook al doe je er veel melk bij.’
‘Haha! Dat is zo.’
De koffiemelk was zoet en crèmig, maar koffie met suiker en melk bleef koffie. De koffiesmaak bleef overeind.
‘Maar… het ruikt wel echt lekker. Ik wist niet dat koffie zo lekker rook.’
Mijn oma en mijn moeder dronken liever thee, daarom was ik niet gewend aan koffie.
Mijn opa dronk vaak oploskoffie, maar de koffie vandaag geurde veel intenser.
‘Het ruikt fantastisch.’
‘Lekker, hè? Deze gemalen koffie heb ik van het Tacet Yuguredo, dat is een leuke koffiebar waar ik soms naartoe ga. Ga er ook eens heen. Het ligt in de buurt van het Moerenuma-park, en de zonsondergang daar bij de glazen piramide is prachtig.’
‘Tacet… Moerenuma-park?’
‘Ja. Het is niet eens ver van het themapark Satoland vandaan… ken je dat niet?’
Ik kende tacet als begrip uit de muziek, maar van Moerenuma of Satoland had ik nog nooit gehoord.
‘Ik ben nieuw in Sapporo…’
‘Aha. Het is een groot park met veel natuur. Niet alleen gezinnen met kinderen, maar ook veel stelletjes gaan erheen, en ook beroemdheden. Maar die ontmoeten elkaar daar stiekem.’
‘O.’
‘De koffie is daar zó goed dat de eigenaresse vaak als “heks” wordt aangeduid, omdat ze zulke ongelooflijk goede koffie tovert. Het is best een eindje hiervandaan, maar met de fiets kun je er makkelijk komen. Zal ik je een keertje meenemen?’
‘Ja, graag!’
Het stoorde me een beetje dat ze het over een ‘heks’ had, maar het verhaal interesseerde me enorm. Een glazen piramide bij zonsondergang klonk geweldig.
‘Het moet vandaag echt goed voor jou zijn verlopen. Je gezicht ziet er nu veel beter uit. Een groot verschil met vanochtend.’
Mevrouw Sugiura keek me glimlachend aan.
‘Vanochtend was ik bang en zag ik er erg tegen op om naar school te gaan. Heel hartelijk dank, mevrouw Sugiura.’
‘Je hoeft me niet te bedanken… Het is fijn dat je je nu beter voelt. Hoewel ik je moed heb ingesproken, maakte ik me zorgen of je misschien iets ergs hebt meegemaakt en daar door mij last van hebt.’
Toen ik mevrouw Sugiura zo opgelucht zag, schudde ik haastig mijn hoofd.
‘Zelfs als dat zo geweest zou zijn, was het niet uw schuld, mevrouw Sugiura. Dat zou mijn probleem zijn of dat van de mensen om me heen.’
‘Dat kan wel zijn, maar… ik herinner me een lied waarin het leven met draden wordt vergeleken. Vele draden worden met elkaar verweven en vormen het leven van een mens. Een draad waaraan je uit goede bedoelingen trekt, kan zich in een onvoorspelbare richting verder verweven.’
Daarbij kneep mevrouw Sugiura me weer zachtjes in mijn wang, net als die ochtend.
‘Toch kon ik niet anders dan je aanspreken, toen ik vanochtend je gezicht zag. Wat fijn dat alles goed is afgelopen. Echt fijn.’
‘Mevrouw Sugiura…’
Ik had nog nooit een oudere vrouw met zulke bonte haren en kleren in zulke schreeuwerige kleuren gezien.
Haar luide stem had me laten schrikken en het was ronduit beangstigend dat ze gewoon willekeurige voorbijgangers aansprak.
Maar de vrouw die me nu aankeek, was heel vriendelijk en aardig – en leek een beetje eenzaam te zijn. Ik had tenminste het gevoel dat behalve zij niemand in haar huis woonde.
Misschien was deze overdreven vriendelijkheid een uiting van haar eenzaamheid, en misschien was ze zo aardig tegen mij omdat ik blijkbaar ook eenzaamheid uitstraalde. Maar tegelijkertijd had mevrouw Sugiura een kracht over zich die elke zwakte met een glimlach leek uit te wissen.
Het was bijna arrogant van mij om te denken dat ze eenzaam was.
In feite brachten we meer dan een uur door met een aangenaam gesprek, we lachten veel en de tijd tot aan de schemering vloog voorbij. We moesten afscheid nemen. De zon waar ik vanochtend zo’n hekel aan had gehad, zou nog wel een beetje langer aan de hemel mogen blijven.
Maar het ging niet anders. Ik moest naar huis voordat mijn moeder zich zorgen ging maken en voordat ik mevrouw Sugiura te lang zou ophouden.
‘Heel erg bedankt voor alles vandaag. Dankzij u heb ik het gevoel dat ik het vanaf nu aankan.’
‘Nou, nou. Niet overdrijven. En als je echt het gevoel hebt dat je het niet aankunt, dan moet je jezelf niet dwingen. Het leven is een gestage rivier. Als je morgen een dag met een glimlach kunt doorbrengen, en dat dan een week, een maand lang, dan is een jaar in een oogwenk voorbij.’
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Maar het was een mooie instelling om elke dag te proberen een beetje meer te glimlachen.
‘Ik neem me voor om morgen meer te glimlachen.’
‘Doe dat.’
‘Ja, en ook de dag erna.’
Mevrouw Sugiura knikte bij mijn vastberaden woorden en nam afscheid van me met ‘Pas goed op jezelf.’
Dat moest ik echt, want ik had het gevoel van geluk te zweven.
Toen ik thuiskwam, kon ik dankzij die luchthartigheid makkelijk de lastige vragen van mijn moeder verdragen, die wilde weten hoe het op school was geweest en of ik vrienden had gevonden, alsook enkele scherpe opmerkingen van mijn zusje. Ten slotte trok ik me terug op mijn kamer.
Alles was goed.
En morgen zou ook alles weer goed komen.
En zo niet, dan zou mevrouw Sugiura naar me luisteren. Ik kon haar gewoon zomaar bezoeken.
Ik verheugde me op bloeiende zonnebloemen, het Moerenummer-of-zoiets-park met de glazen piramide en de koffiebar.
Bij de gedachte aan de volgende dag kreeg ik normaal gesproken een knoop in mijn maag. Maar die avond was het anders.
Ik kon nauwelijks wachten om mevrouw Sugiura de dag erop weer te zien. Met dat gevoel viel ik in slaap.
